The nature of learning  0

In het gratis te downloaden boek The Nature of Learning. Using research to inspire practice wordt een toegankelijk, breed, en state-of-the-art overzicht gegeven van de belangrijkste inzichten over leren door gerenomeerde onderzoekers. De inhoudsopgave spreekt in dit verband al bijna voor zich:

 

  • Analysing and designing learning environments for the 21st century (Hanna Dumont)
  • Historical developments in the understanding of learning (Erik de Corte)
  • The cognitive perspective on learning: Ten cornerstone findings (Michael Schneider)
  • The crucial rol of motivation and emotion in classroom learning (Monique Boekaerts)
  • Learning from the developmental and biological perspective (Christina Hinton & Kurt Fischer)
  • The role of formative assesment in effective learning environments (Dylan Wiliam)
  • Co-operative learning: what makes groupwork work (Robert Slavin)
  • Learning with technology (Richard Mayer)
  • Prospects and challenges for inquiry-based approaches to learning (Linda Darling-Hammond)
  • The community as a resource for learning(Andrew Furco)
  • The effects of family on children’s learning and socialisation (Barbara Schneider)
  • Implementing innovation (Lauren Resnick & James Spillane)
  • Future directions for learning environments in the 21st century (Hanna Dummont)

 

Dit boek wordt vergezeld met een Practitioner Guide, een korte brochure waarin de hoofdboodschappen in dit boek nog eens worden samengevat. Dit boek ontsluit het woud van literatuur over leren op een gedegen maar ook toegankelijke manier. Het boek is ideaal als je snel overzicht wilt krijgen van ontwikkelingen over een bepaald aspect van dit enorm uitgestrekte onderzoeksgebied.

 

Maar hoe deskundig de schrijvers dan ook mogen zijn over leren van leerlingen, de meeste auteurs in dit boek lijken nog steeds vrij naïeve opvattingen te huldigen over leren van docenten. Het boek ademt uit dat, nu eenmaal een kennisbasis over leren van leerlingen zo toegankelijk is geformuleerd, docenten hiermee in de praktijk aan de slag kunnen. Daarbij wordt weliswaar onderkend dat docenten daarbij moeten samenwerken en de school als organisatie dit proces ook moet faciliteren, maar in ieder geval is de praktijk nu aan zet.

 

Walter Doyle wees in 1977 al op een belangrijke complicerende factor die daarbij roet in het eten gooit. Hij liet zien dat docenten vernieuwingsvoorstellen beoordelen op praktische bruikbaarheid en alleen voorstellen die als praktisch worden ervaren enige kans van slagen maken in de onderwijspraktijk. Hij formuleerde ook drie spijkerharde criteria waaraan een praktisch voorstel moet voldoen (instrumenteel, congruent; lage kosten).

 

Laten we als vingeroefening de publicatie van OECD eens langs deze lat leggen:

 

Criteria voor praktische bruikbaarheid

  • Instrumenteel: Een docent weet hoe een ideaal kan worden omgezet in activiteiten en handelen
  • Congruent: Het voorstel sluit aan bij wat een docent al doet en belangrijk vindt
  • Lage kosten: De docent kan het voorstel uitvoeren met weinig extra tijd en middelen

 

Instrumenteel

Onderwijswetenschappers formuleren hun kennis veelal in de vorm van principes of criteria waaraan onderwijs moet voldoen. Hierop vormen de schrijvers van het OECD boek geen uitzondering. Een docent heeft hier echter niet genoeg aan. Weten dat formatieve assessment nodig is betekent nog helemaal niet dat je weet hoe je dat in je klas moet realiseren voor een bepaald onderwerp en een specifiek groep leerlingen. Hoewel onderwijsvoorstellen vaak wel vergezeld gaan met hier een daar een voorbeeldje zal een docent dat in de praktijk toch bijna voor iedere situatie opnieuw moeten uitvinden.  Wat ontbreekt zijn procedures waarmee de docent onderwijs met de gewenste kenmerken  kan vormgeven voor zijn eigen situatie.

 

Lage kosten

Die procedures moeten dan ook nog aan specifieke eisen voldoen.  Uiteraard maken onderwijs-wetenschappers ook gebruik van procedures om hun voorbeelden te generen, echter vaak is er daarbij sprake van zeer arbeids- informatie- en tijdintensieve methoden.  Ik ben zelf bijvoorbeeld gepromoveerd op een lessenserie waarvoor ik alleen al 2 jaar in de bibliotheek heb gezeten gevolgd door 3 jaar ontwerponderzoek. Docenten hebben die luxe niet. Zij dienen te beschikken over efficiënte procedures waarmee je in pak ‘m beet 15 minuten een les kunt maken die aan de gestelde criteria voldoet.

 

Congruent

Maar zelfs al zouden docenten hierover beschikken dan doet zich nog een ander probleem voor.  Onderwijswetenschappers werken bijna per definitie sectoraal. Ze richten zich altijd maar op één of twee aspecten van de gehele onderwijssituatie.  De één houdt zich bezig met motivatie, de ander met assessment etc. Een docent kan zich de luxe van specialisatie niet veroorloven. In de klas moeten niet alleen alle belangrijke aspecten van leren organisch op elkaar zijn afgestemd, bovendien moet een docent nog veel meer tegelijkertijd realiseren: een goed werkklimaat krijgen en behouden, de stof tijdig afkrijgen etc. Gezien het feit dat een docent veel doelen tegelijkertijd moet realiseren in de les heeft hij/zij ook een voorkeur aanpakken dus waarmee meerdere vliegen in één klap worden geslagen. Terwijl onderwijswetenschappers een voorliefde hebben voor ‘1 Probleem – Meerdere Oplossingen’ aanpakken, hebben docenten behoefte aan ‘Meerdere Problemen – 1 Oplossing’ aanpakken.

 

Kortom, een toegankelijke kennisbasis zoals beschreven in het OECD boek is een belangrijke stap,  maar voordat dit op het bord van docenten wordt gelegd dient deze theorievorming eerst praktische te worden gemaakt voor docenten, door theoretische aspecten over verschillende aspecten van het onderwijs te integreren en te verbinden met efficiënte procedures.

 

Dumont, H., Instance, D & F. Benavides (2010). The Nature of Learning. Using research to inspire practice. OECD Publications.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *